|
Het is vanzelfsprekend dat het, alvorens het over salsa
te kunnen hebben, noodzakelijk is even stil te staan bij de ontwikkeling
van de Cubaanse muziek en dans, uiteindelijk is het in Cuba allemaal begonnen!
Cuba heeft veel invloed
gehad op de ontwikkeling van vele muzieksoorten in de 19e en 20ste eeuw.
|
|
|
Folklore
De inheemse inwoners van
Cuba waren de Taíno, Arawak en Ciboney, aan wie de muziekstijl
‘ areito’ wordt toegekend, maar de de roots van de meeste
Cubaanse muzikale vormen liggen in de cabildos, een sociale groepering
van Afrikaanse slaven die in Cuba terecht kwamen. Deze cabildos bewaarden
de Afrikaanse culturele tradities, zelfs nadat de Rooms-katholieke kerk
hen in 1886 dwong om zich hier bij aan te sluiten. Tegelijkertijd ontwikkelde
zich een godsdienst, ‘ Santería’ die zich al snel over
Cuba, Haïti en andere nabijgelegen eilanden verspreidde. Santería
beïnvloedde de muziek van Cuba, vooral in de vorm van de percussie
(aangezien de percussie een inherent deel van de godsdienst is). In de
loop van de 20ste eeuw verschenen de elementen van de Santería
muziek in populaire muziek en volksmuziek. Naast de roots in West- Afrika
liggen de roots van de salsa ook in Spanje, overigens wordt de Cubaanse
muziek in de loop van de tijd door diverse genres uit verschillende landen
beïnvloed, o.a. uit Frankrijk, de Verenigde Staten en Jamaïca.
|
|
|
Danzón
Op zijn beurt heeft de
Cubaanse muziek ontzettend veel invloed gehad op muziek in andere landen,
o.a op de ontwikkeling van jazz en salsa, maar ook op de Argentijnse tango,
de West-afrikaanse Afrobeat, en Spaanse "nuevoflamenco". Vooral
in de Danzón is de Europese invloed heel duidelijk, een elegante
dans die in Cuba heel populair is. De roots hiervan liggen in de Europese
ballroom dansen zoals de Engelse Country Dance, Franse Contredanse en
Spaanse Contradanza. De Danzon ontwikkelde zich sterk in de jaren 1870
in het gebied van Matanzas, waar ook de Afrikaanse cultuur toch sterk
bleef voortbestaan.
De muzikale innovaties van Cuba ontstonden als het gevolg van de interactie
tussen deze Afrikaanse slaven, die hun eigen vormen van muziek meebrachten
en die op de grote suikerplantages werkten en de Eilandbewoners van Spaanse
afkomst die ook met hun eigen muziek aankwamen. De Afrikaanse slaven en
hun nakomelingen maakten grote aantallen instrumenten opnieuw na, de belangrijkste
instrumenten zijn de clave, congas en de batá . Chinese immigranten
hebben de cornetínchino ("Chinese kornet"),een Chinees
blaasinstrument, meegenomen, die nog in de comparsas, Carrnaval Groepen
in Santiago de Cuba, wordt gespeeld.
|
|
|
Guajira/Musica
Campesina
Op het platteland was
de muziekstijl ‘Guajira’ erg populair en herkenbaar aan schelle
en akoestische klanken. De Guajira kwam op in de vroege 20ste eeuw, en
wordt gedragen door een 6-snarige gitaar, ‘Tres’ genaamd,
die voor het distinctieve geluid zorgt. Ook de Campesina muziek komt van
het platteland en bestaat uit geïmproviseerde muziek. Het is zeer
populair geworden door artiesten zoals Celina Gonzalez, en heeft een grote
invloed gehad op de moderne Son.
|
|
|
Bolero (ballades)
van Santiago
De bolero is een dans in driekwart maat die in Spanje in de vroege 18de eeuw
als combinatie van Contradanza en Sevillana ontstond. De bolero kan zowel door
een solist als door een paar worden gedanst. Het tempo is langzaam en de muziek
bestaat meestal uit gitaar en castagnetten. Een aantal klassieke componisten
hebben werken geschreven die op deze dans zijn gebaseerd: Frédéric Chopin schreef
een bolero voor piano, en de Boléro van Maurice Ravel is één van zijn beroemdste
werken.
In Cuba ontwikkelde de bolero zich tot een andere dans (met een andere telling).
Deze nieuwe bolero ontwikkelde zich en verspreidde zich uiteindelijk naar andere
landen in Zuid-Amerika, terwijl de dans zelf geleidelijk aan uit Cuba verdween.
De moderne cubaanse bolero ontstond in Santiago in de 19de eeuw. De rondreizende,
volksverhaal vertellende trova (of canción) traditie vormde de belangrijkste basis
voor de Cubaanse bolero, overigens wel beďnvloed door verschillende Europese
muzikale stijlen. De trova werd gewoonlijk slechts door een gitaar begeleid,
en had een diepe Spaanse sound. De cubaanse bolero kwam al snel na zijn ontstaan
terecht in Mexico, waar hij een belangrijk deel van het mexicaanse traditionele
muziek repertoire werd. Een van de meest prominente bolero componisten, Agustín Lara,
komt dan ook uit Mexico. In de jaren 50 werd de bolero uitermate populair in heel
Latijns-Amerika.
Een ander soort bolero is de Amerikaanse ballroom stijl die erg populair is in de
Verenigde Staten. Het is een unieke dansstijl die de figuren van de ballroom rumba
met de karakteristieken en technieken van de wals en foxtrot combineert. Hij wordt
gedanst als onderdeel van Latijnse ballroom dansen Bolero, Rumba, Cha-Cha, Mambo).
|
|
|
Charanga/Guaracha
Een andere vorm van Cubaanse
volksmuziek is de Charanga, genoemd naar kleine Frans-Creoolse bands die
Charangas genoemd werden, en bestonden uit Haitiaanse vluchtelingen die
tijdens de Haitiaanse Revolutie (1791) in Cuba terecht kwamen. Deze begonnen
hun eigen stijl van danzón te spelen, die de Tumba Francesa genoemd
werd, en die de oorsprong vormde voor de Comparsa, Mambo, Chachachá
en andere soorten volksmuziek.
De Guaracha is een versnelde
vorm van danzón. Deze wordt over het algemeen in één
adem genoemd met Charanga, omdat de Guaracha door Charanga orkesten werd
gespeeld. De Guaracha komt ook voort uit Haitiaanse muziekstijlen.
|
|
|
Changuí
Changuí is een
snelle vorm van Son, ontstaan in de oostelijke provincies (Santiago en
Guantánamo, die samen als “Oriente” bekend staan).
Het is onduidelijk hoe de Changuí ontstond, en of het een voorloper
van de klassieke Son is, maar het schijnt dat deze twee zich volgens parallelle
lijnen ontwikkelden. Changuí wordt gekenmerkt door zijn sterke
nadruk op de downbeat, zeer snel met veel percussie.
|
|
|
Son
De Son is een belangrijk genre van Cubaanse muziek, die als fundament
beschouwd kan worden voor wat later als Salsa bekend zou worden. De Son
ontstond ook in het oostelijke deel van het eiland, onder landbouwers
van Spaanse afkomst. Het wordt verondersteld dat de Son van de Changui
afgeleid zou zijn, die ook de Spaanse gitaar en de Afrikaanse ritmen samenvoegde.
De kenmerken van de Son variëren sterk tegenwoordig, met als bepalend
kenmerk de bas die vóór de downbeat komt, die de Son en
de hieruit afgeleide muzieksoorten (inclusief de huidige salsa) zijn uitgesproken
ritme geeft; dit heet in muziektermen de geanticipeerde bas.
|
|
|
Batá en yuka
Een van de meest vitale cabildos (een sociale slavengemeenschap) was de
Lukumí, die bekend raakte door de batá trommels, die bespeeld
werden gedurende tradionele inwijdingsceremonies. In de jaren 50 van de
20e eeuw, zorgden de Santero, een muzikale formatie van verschillende
batá drummers uit Havana, dat de Lucumí stijl deel uitging
maken van Cubaanse muziek.
De Kongo cabildo is bekend door het gebruik van zowel yuka trommels als
gallos, een soort van zangwedstrijd, makuta en mani dansen. Het laatste
is nauw verwant met de Braziliaanse capoeira. Yuka trommelmuziek zou uiteindelijk
evolueren in wat nu bekend staat als rumba.
|
|
|
Rumba
Als we het over de Rumba hebben, denken we hier in Europa voornamelijk
aan de ballroom dans, echter deze is hier in Europa ontstaan als ballroom
dans op een vorm van Son Montuno.
Hier hebben we het verder over de oorspronkelijke, Cubaanse Rumba. De
oorsprong van de Rumba ligt in Cuba en wel in Havana en Matanzas. Deze
muziekstijl is spontaan, geïmproviseerd en levendig en is ontstaan
onder de dokwerkers van Havana en Matanzas. Percussie en vocale delen
(op basis van een voorzanger en koor, die als vraag en reactie fungeren)
worden gecombineerd om een zeer dansbare en populaire vorm van muziek
te maken. Het word rumba komt volgens de overlevering voort uit uit het
werkwoord ‘rumbear’, wat staat voor lekker feesten. Het ritme
is het belangrijkste deel van de rumba, die is hoofdzakelijk als dansmuziek
bedoeld is.
Er zijn drie basisvormen van Rumba: Colombia, Guaguanco en
Yambú. De Colombia wordt over het algemeen gedanst door mannen
als solo dans, en is zeer snel met agressieve en acrobatische bewegingen.
De Guagancó wordt gedanst door man en vrouw samen en is langzamer.
De dans simuleert de man's verovering van de vrouw, en is vrij seksueel
geladen. De Yambú, die als "rumba voor de wat ouderen”
bekend staat, is een voorloper van de Guaguancó en wordt wat langzamer
gespeeld. De Yambú wordt nu uitsluitend nog gedanst door folkloristische
dansgroepen.
|
|
|
1920-1930
Son
De Son werd in de jaren 20 bekend in Havana, onder andere door de inspanningen
van legendarische groepen zoals ‘Trío Matamoros’. De
Son werd meer en meer ‘verstedelijkt’ door het gebruik van
de trompet (de trompet werd in Havana geïntroduceerd in 1926) en
andere nieuwe instrumenten, die een enorme invloed op de meeste recentere
vormen van Cubaanse muziek kregen. In Havana werden de invloeden van Amerikaanse
populaire muziek en jazz door middel van de radio voelbaar. De Son trio’s
(3 muzikanten) maakten plaats voor de Septets (7 muzikanten), die de gitaar
of Trés, Marímbulas, contrabas, bongos, claves en maracas,
gebruikten. De teksten werden vaak geïmproviseerd en melodielijnen
werden harmonieuzer terwijl de claves het basis ritme bepaalden. Aangezien
er meer en meer toeristen naar Havana kwamen begonnen de musici de Son
wat te verwestelijken omdat de toeristen de complexe Afrikaanse ritmes
niet goed begrepen.
Entrée Cubaanse muziek in de VS
In de dertiger jaren van de vorige eeuw werden in de Verenigde Staten de
Conga en de Rumba erg populair gemaakt door vooraanstaande musici. Ook
de Son Montuno werd in die periode erg populair. Son, Mambo, Chachachá,
Rumba en Conga hadden de meeste invloed op salsa. De Mambo deed zijn entree
begin jaren 40. De eerste mambo, werd geschreven door Orestes "Cachao"
Lopez, in 1938. Vijf later jaar introduceerde Perez Prado de dans aan
het publiek in de beroemde nachtclub “La Tropicana” in Havana.
De Mambo onderscheidt zich van zijn directe voorganger, de Danzón,
door elementen uit de Son Montuno en Jazz. Rond 1947 was mambo razend
populair in de V.S. Andere invloedrijke musici van vóór
de revolutie van Castro, waren Ernesto Lecuona, Chano Pozo, Bola de Nieve,
die in Mexico leefden, en Mario Bauza, die, samen met Ray Barreto en Tito
Puente in New York innovaties in de mambo maakten die geleidelijk Latin-Jazz
en modernere salsa tot gevolg zouden hebben. Een groot aantal musici verliet
Cuba tussen 1966 en 1968, nadat de Cubaanse overheid nachtclubs en de
platenindustrie had genationaliseerd. De meesten van hen kwamen ook terecht
in New York. Onder hen bevond zich Celia Cruz, van oorsrpong een Guaracha
zangeres, die sterke impulsen aan de ontwikkeling van salsa gaf. Eind
60-er, begin 70-er jaren waren Cubanen zeer actief in Latin-jazz en vroege
salsa, zoals bv Patato Valdés van "Tipíca ' 73",
die verbonden was aan de Fania All-Stars. Fania is een in die tijd enorm
populair platenlabel, dat vrijwel alle Latijns-Amerikaanse muziek in New
York op elpee uitbracht. De Fania All-Stars was een regelmatig optredend
gezelschap van muzikanten die dan samen een gelegenheidsformatie vormden.
Andere beroemdheden van die tijd waren Paquito d' Rivera en Arturo Sandoval.
Habanera
Begin 19e eeuw evolueerde de habanera uit de contradanza van Haïti
van na de revolutie . De belangrijkste innovatie van de contradanza was
het ritme, omdat in de Habanera Spaanse en Afrikaanse invloeden zijn samengesmolten.
|
claves
bongo's koebel
maracas
|
|
40-er
en 50-er jaren
Arsenio Rodriguez, één van Cuba's meest bekende ‘soneros’,
heeft de Son teruggebracht naar de Afrikaanse origine in de 40-er jaren
door de Guaguanco stijl aan te passen aan de de Son, en door de koe-bel
en de conga toe te voegen aan de ritmestructuur. Rodriguez introduceerde
de montuno (of mambo section) voor melodische solo’s en zijn stijl
werd bekend als Son Montuno.
Cubaanse muziek in de V.S.
De Charanga groep ‘Orquesta America’, geleid door Enrique
Jorrín, heeft bijgedragen aan het ontstaan van de Chachachá,
die international in de mode kwam in de jaren '50. De Chachachá
werd populair gemaakt door grote artiesten als Tito Puente, Perez Prado
en andere supersterren. Ook de mambo werd door deze artiesten in een nieuw
jasje gestoken.
|
|
|
60-er
en 70-er jaren
De Moderne Cubaanse muziek staat bekend door het mengen van genres. Bijvoorbeeld:
In de jaren '70 gebruikte “Los Irakere” batá trammels
in grote muziekformaties; dit werd de Son-batá of Batá-rock
genoemd. De Mozambique ontstond, die conga en mambo mengde. Mengsels van
hip-hop, jazz en rock werden ook erg populair, zoals in de ‘rockoson’
van Habana Abierta.
|
|
|
Castro en Cubaanse bannelingen
Toen Fidel Castro na de revolutie aan de macht kwam in 1959, betekende
dit aan de ene kant een enorme massa-emigratie naar Puerto Rico, Florida
en New York, en aan de andere kant bescherming van artiesten door de Communistische
staat, wat resulteerde in genationaliseerde staats-muziekhuizen zoals
EGREM. In Cuba, wees de beweging van de ‘Nueva Trova’ (met
o.a. Pablo Milanés) op nieuwe linkse idealen. De jonge musici leerden
op de muziekschool instrumenten bespelen en/of zingen. Het cabaret Tropicana
(onder staatstoezicht) was zeer populair onder de buitenlandse toeristen,
hoewel de wat beter ingelichte toeristen de lokale ‘Casas de La
Trova’ opzochten. De musici werden volledig betaald door de staat
na het behalen van een diploma aan het conservatorium, maar bijna 90%
van hun inkomen werd door het Ministerie van Cultuur ingehouden. Castro’s
bewind dwong uiteindelijk artiesten als Arturo Sandoval en Paquito D'Rivera
in ballingschap. Door de de val van de Sovjetunie in de jaren '90 veranderde
er vrij veel en mochten musici naar het buitenland op tournee gaan en
zelfs in het buitenland werken. Beroemde artiesten in ballingschap zijn
Celia Cruz, Cachao, La Lupe, Willy Chirino en Gloria Estefan. Veel van
deze musici, vooral Cruz, werden nauw geassocieerd met de anti-Castro
beweging.
|
|
|
Nueva Trova
De politieke en sociale opschudding van Cuba in de jaren '60-'70 veroorzaakte
een sociaal bewuste vorm van nieuwe muziek genoemd Nueva Trova. Silvio
Rodríguez en Pablo Milanés werden de belangrijkste exponenten
van deze stijl. Het ontstond uit rondreizende trovadores in de vroege
20ste eeuw, en populaire musici waren Carlos Puebla en Joseíto
Fernandez (wereldberoemd met zijn "Guantanamera”). Nueva Trova
was altijd nauw verbonden met de revolutie van Castro, maar de woorden
waren meer uiting van persoonlijke dan sociale kwesties. Maatschappijkritische
teksten in bedekte bewoordingen om vervolging door de regering te voorkomen.
|
|
|
Salsa in de jaren '70
De Son montuno werd gecombineerd met andere Latijnse muzikale vormen, zoals
de Mambo en de Rumba, om eigentijdse muziek te maken. Deze muziekvormen
met een “pittig sausje” kreeg de verzamelnaam SALSA en werd
ontzettend populair is in heel Latijns-Amerika en de Spaanse wereld.
|
|
|
80-er jaren tot heden
De Son en Nueva Trova blijven de populairste vormen van moderne Cubaanse
muziek, en vrijwel alle Cubaanse artiesten spelen muziek die uit één
van deze twee genres is afgeleid. De Son wordt het best vertegenwoordigd
door al lang bestaande groepen zoals Septeto Nacional, Orquesta Aragón,
Orquesta Ritmo Oriental en Orquesta Original de Manzanillo. Septeto Nacional,
naast groepen zoals Sierra Maestra, hebben een heropleving van de traditionele
Son mogelijk gemaakt. Ondertussen smelt Irakere (traditionele Cubaanse
muziek) met jazz, en groepen zoals NG La Banda, Orishas en Son 14 voegen
nieuwe elementen aan Son toe, vooral hip-hop en funk, om zo Timba te creëren
Er zijn nog vele musici die de traditionele Son montuno ten gehore brengen,
zoals Eliades Ochoa. In de jaren '90 bracht de verhoogde interesse in
wereldmuziek de Cubaanse muziek onieuw naar de voorgrond, vooral de traditionele
stijlen zoals Son montuno. Deze ontwikkeling ging in Cuba hand in hand
met de post-Sovjet-unie periode, genaamd de Periodo Especial, waarin de
de regerig het land opener stelde voor het toerisme. Orquesta Aragon,
Charanga Habanera en Cándido Fabré y su Banda zijn oude
spelers in de charangascène, en hebben de populaire timbascène
veroorzaakt.
|
|
|
Timba
Sinds zijn verschijning in de vroege jaren '90 is de timba de populairste
dansmuziek in Cuba en heeft pas sinds kort concurrentie gekregen van de
Reggeatón, de Cubaanse versie van Jamaicaanse ragga en dancehall
muziek. Niettemin verwant met salsa, heeft timba zijn eigen kenmerken
en geschiedenis, en is nauw verbonden aan het leven en de cultuur van
Cuba, en vooral Havana. Timba is voor Havana wat de tango is voor Buenos
Aires, of de samba voor Rio de Janeiro.
|
|
|
Buena Vista Social Club
Zeer belangrijk in de geschiedenis van de Cubaanse muziek was de productie
van Buena Vista Social Club (1997), een opname van veteranen van Cubaanse
musici die door de Amerikaanse musicus en de producent Ry Cooder werd
bijeengebracht. Buena Vista Social Club werd wereldwijd beroemd,en miljoenen
exemplaren werden verkocht. Het maakte sterren van tachtigjarige Cubaanse
musici zoals Ibrahim Ferrer, Joseíto Fernandez, en Compay Segundo.
Later maakten tientallen zangers en muziekgroepen opnamen voor buitenlandse
labels en gingen op tournee in het buitenland.
|
|